Wormen bij paarden: van routinebehandeling naar doordacht management

11-05-2026


Ontwormen & mestonderzoek: waarom dit onderwerp belangrijk is

Elke paardeneigenaar krijgt vroeg of laat met wormen te maken. Dat is heel normaal — parasieten horen nu eenmaal bij het leven van een paard. In een gezonde situatie blijft het vaak in balans: je paard draagt wat wormen bij zich, zonder daar echt last van te hebben. Maar die balans kan ook verstoord raken...

Waar vroeger vaak om de drie maanden ontwormd werd, weten we inmiddels dat dat niet de beste aanpak is. Blind ontwormen kan juist resistentie veroorzaken, waardoor middelen minder goed gaan werken. Daarom kiezen we tegenwoordig steeds vaker voor een gerichte aanpak, met mestonderzoek en goed stal- en weidemanagement als basis.

Maar eerst: hoe raakt je paard besmet? 

Een worminfectie begint meestal onopvallend. Besmette paarden scheiden wormeitjes uit via de mest. Deze komen vervolgens terecht op de weide, waar ze jammer genoeg niet zomaar verdwijnen maar zich wel verder ontwikkelen onder de juiste omstandigheden tot larven.

Tijdens het grazen of eten kunnen paarden deze larven opnieuw opnemen zonder dat ze het zelf merken. Binnenin de darm groeien ze vervolgens uit tot volwassen wormen, die op hun beurt weer eitjes produceren. Zo blijft de cyclus zichzelf in stand houden – vaak weken tot maanden lang, zonder duidelijke signalen aan de buitenkant. 

Maar niet alle wormen volgen exact dezelfde cyclus. Zo ontwikkelt de lintworm zich bijvoorbeeld dankzij een tussengastheer, de mosmijt, die door het paard tijdens het grazen wordt opgenomen. Ook bij horzels verloopt de besmetting anders. Zij leggen eitjes op de vacht van je paard, die vervolgens opgelikt worden

Waarom zien we meer wormproblemen dan bij wilde paarden?

Het is een vraag waar we toch wel even bij moeten stilstaan. Want als je kijkt naar wilde paarden, leven ook zij samen met parasieten zoals wormen én toch staat er voor hen niemand klaar om iedere 3 maanden een ontwormingsspuit toe te dienen. Waarom hebben zij hier minder last van?

Wel, de wormdruk bij paarden in België en Nederland verschilt sterk van die bij wilde paarden. Dat zit voornamelijk in de manier waarop deze paarden leven en hun omgeving gebruiken. 

Zoals je je vast kan voorstellen, bewegen wilde paarden zich voortdurend door uitgestrekte natuurgebieden. Ze blijven niet lang op dezelfde plek en trekken steeds verder. Daardoor krijgt de omgeving telkens de tijd om te herstellen en wordt mest verspreid over grote oppervlakten. De kans dat een paard kort daarna opnieuw precies dezelfde besmette plek begraast, is daardoor veel kleiner. 

Maar ook de begrazing zelf verschilt sterk. In een natuurlijke omgeving hebben paarden keuze uit verschillende planten en graashoogtes. Ze hoeven het gras niet kort tot op de bodem af te grazen, waardoor ze minder vaak in contact komen met de zones waar infectieuze larven zich bevinden.

De moderne paardenhouderij in België en Nederland is daarentegen helemaal anders. Hier staan paarden vaak op relatief kleine, afgebakende weides of paddocks die langdurig door dezelfde dieren gebruikt worden. Diezelfde ruimte wordt steeds opnieuw begraasd én bemest, waardoor zich op bepaalde plekken een opeenstapeling van mest en dus ook van wormeieren kan vormen. 

Dus waar in de natuur een open en dynamisch systeem is, is dit een gesloten omgeving waarin de cyclus van besmetting voortdurend doorgaat. Daarbovenop worden deze weides vaak intensief begraasd. Zeker bij beperkte oppervlakte blijft er weinig keuze over. Het gras wordt dus kort gegeten, tot dicht bij de bodem. Dit verhoogt de kans op opname van wormen aanzienlijk. 

Ook ons gematigde en vaak vochtige weer biedt ideale omstandigheden voor wormeitjes en larven om zich te ontwikkelen en te overleven op de weide. Net zoals onze steeds warmer wordende winters een rol spelen. Zo blijven ze vaak weken tot wel maanden aanwezig in het graasland.

Zoals je kan lezen, speelt er dus een samenspel van verschillende factoren mee. Net daarom is het belangrijk dat wij als paardeneigenaars goed begrijpen hoe dit ontstaat, en hoe we het op een verantwoorde manier kunnen voorkomen.

Een overzicht van enkele worminfecties 

De klassieke aanpak: waarom "blind ontwormen" niet ideaal is

De meest gekende aanpak om wormbesmettingen te bestrijden is om volgens een vast schema te ontwormen, bijvoorbeeld iedere 3 maanden of standaard in het voorjaar en najaar. Of een paard daadwerkelijk wormen heeft of niet, speelt daarbij geen rol. Er wordt simpelweg vanuit gegaan dat ieder paard risico loopt en dus behandeld moet worden.

Voor veel eigenaren geeft dit een gevoel van controle. Door regelmatig te ontwormen, denkt men de problemen voor te zijn. Toch klopt dat beeld niet helemaal.

Ontwormingsmiddelen werken namelijk niet echt preventief. Ze doden de wormen die op dat moment in het paard aanwezig zijn, maar hebben geen langdurige preventieve nawerking. Dat betekent dat een paard zich in principe kort na de behandeling opnieuw kan besmetten. In tegenstelling tot sommige middelen tegen vlooien en teken bij honden en katten, die gedurende langere tijd blijven werken, bieden ontwormingsmiddelen dus geen blijvende bescherming. 

In werkelijkheid blijkt bovendien dat binnen een groep paarden vaak slechts een beperkt aantal dieren verantwoordelijk is voor het grootste deel van de besmetting. Door alle paarden op hetzelfde moment te behandelen, krijgen ook paarden die prima in balans leven met deze parasieten een ontworming. Zo worden de wormpopulaties heel frequent en herhaaldelijk blootgesteld aan dezelfde werkzame stoffen.

Dit heeft gevolgen op lange termijn... 

Resistentie: een groeiend probleem

Eén van die belangrijkste gevolgen van jarenlang routinematig ontwormen is de ontwikkeling van resistentie bij wormen. Resistentie betekent dat wormen ongevoelig worden voor de middelen die vroeger wel effectief zijn geweest. Wat dus ooit een betrouwbare behandeling was, werkt steeds minder goed – en soms zelfs helemaal niet meer.

Dit proces ontstaat zeker niet van de ene op de andere dag, maar bouwt zich geleidelijk aan op. Binnen elke wormenpopulatie komen namelijk van nature kleine genetische verschillen voor. 

Sommige wormen zijn zo toevallig net iets minder gevoelig voor een bepaald middel en volgens natuurlijke selectie ("de sterkste overleeft"), kan deze populatie zich steeds verder uitbreiden en dezelfde eigenschappen doorgeven aan de volgende generatie. Wanneer dit zich herhaaldelijk voordoet, verschuift die populatie dus langzaam. Steeds meer wormen zijn minder gevoelig voor de behandeling wat er uiteindelijk toe kan leiden dat een groot deel van de wormenpopulatie niet meer reageert op een bepaald ontwormingsmiddel. 

Dit is best problematisch want het aantal werkende stoffen tegen wormen is maar beperkt aanwezig. Als wormen dus resistent worden tegen één of meerdere van deze middelen, blijven er steeds minder effectieve opties over die kunnen ingezet worden wanneer een paard écht ziek wordt door een wormenbesmetting.

Het is dus noodzakelijk om anders naar wormenbeheer te gaan kijken - en om niet langer blind en routinematig te ontwormen, maar wel gerichte keuzes te maken. 


Een ontwormingsmiddel heeft ook invloed op je paard

Er is de laatste jaren steeds meer aandacht voor de bredere impact van ontwormingsmiddelen op de gezondheid van je paard. Hoewel deze middelen als veilig en noodzakelijk worden beschouwd, weten we intussen dat ze niet volledig zonder effect zijn.

Een eerste belangrijk aandachtspunt is de lever. Veel ontwormingsmiddelen worden in het lichaam afgebroken via dit orgaan. Dat betekent dat de lever extra werk moet verrichten na een behandeling.

Uit onderzoek blijkt dat dit kan leiden tot tijdelijke stijgingen van leverenzymen — een teken dat de lever actiever is om het middel te verwerken. Voor gezonde paarden vormt dit meestal geen probleem: de lever heeft een sterk herstellend vermogen. Maar bij paarden met een verminderde leverfunctie kan deze extra belasting wel zwaarder doorwegen.

Daarnaast groeit de interesse in de invloed van ontwormings- middelen op de darm- gezondheid. De darmflora — het geheel van micro- organismen in de darmen — speelt namelijk een cruciale rol bij de vertering van ruwvoer en de productie van voedings- stoffen. Deze balans is niet statisch en kan beïnvloed worden door onder andere voeding, stress en medicatie. 

Zo blijkt uit onderzoek dat ook ontworming invloed op deze darmflora uitoefent. Het zou zorgen voor tijdelijke verschuivingen, die (opnieuw) bij paarden met een sterke, stabiele darmflora niet voor problemen zal zorgen, maar bij gevoeligere paarden kan dit wel weer een trigger zijn. 

Dit betekent echter niet dat ontwormen vermeden moet worden — integendeel. Het blijft een essentieel onderdeel van een goed gezondheidsbeleid. De sleutel ligt in een doordachte en gerichte aanpak.

Door eerst mestonderzoek te laten uitvoeren, kan je bepalen of ontwormen echt nodig is en welk middel het meest geschikt is. Zo vermijd je onnodige behandelingen, ondersteun je de darmgezondheid van je paard én help je de ontwikkeling van resistentie bij wormen te beperken.

Mestonderzoek: de basis van modern wormenbeheer

Met de vorige hoofdstukken over wormenresistentie en de gevolgen op de gezondheid van onze paarden in gedachten, is dus de manier waarop we naar ontwormen kijken sterk veranderd. De focus verschuift vandaag steeds meer naar gerichte controle en behandeling. Uiteraard blijft preventie ook belangrijk, maar daarbij kijken we in de eerste plaats naar hoe we onze paarden houden en managen, eerder dan naar het routinematig inzetten van chemische middelen. 

Een methode die vandaag veel gebruikt wordt en die je wellicht al kent, is het uitvoeren van een mestonderzoek om te bepalen of het toedienen van een ontwormingsmiddel nodig is.

Bij een mestonderzoek stuur je een staal van de mest van je paard op naar het labo, of je dierenarts en wordt er via de microscoop gekeken naar het aantal wormeieren per gram mest, vaak afgekort als EPG (eggs per gram). 

Vervolgens bepaalt men op basis van de EPG van het paard én de gezondheidstoestand of het paard wel of niet ontwormd moet worden. 

Een laag EPG-gehalte (0-200 EPG) zegt namelijk dat die paarden weinig wormeieren uitscheiden en dus een beperkte bron van besmetting voor de weide vormen. Deze dieren hebben vaak een zekere natuurlijke weerstand opgebouwd tegen worminfecties en hoeven dus in de meeste gevallen, tenzij er effectief klachten aanwezig zijn, niet onmiddellijk behandeld te worden.

Bij paarden in de middelste categorie (200-500 EPG) is het bekijken van de combinatie van het EPG-gehalte én de gezondheidstoestand nog veel belangrijker. Hierbij kan beslist worden om nog geen behandeling te geven en een volgend onderzoek af te wachten, of kan een paard toch al behandeld worden indien er klachten of risicofactoren aanwezig zijn.

De paarden met de hoogste scores (>500 EPG) zijn verantwoordelijk voor een groot deel van de besmettingen binnen een groep en zijn dus net die dieren die een sleutelrol spelen in het wormenbeheer. Zij worden best wel behandeld.

Het is daarbij goed om te weten dat het klassieke mestonderzoek voornamelijk gericht is op de meest voorkomende maagdarmwormen. Voor sommige parasieten zijn andere onderzoekstechnieken nodig maar dit brengt ons even te ver. 

Maar... mestonderzoek is geen perfect systeem

Zoals je in de titel kan zien, is er ook een grote "maar"... Want het uitvoeren van mestonderzoek is niet 100% betrouwbaar. Een lage of zelfs nul-uitslag betekent niet automatisch dat een paard volledig vrij is van wormen.

Het kan bijvoorbeeld gaan om een vroege infectie waarbij nog geen eieren door de aanwezige wormen in de darm worden uitgescheiden, of om wormstadia die niet via mestonderzoek detecteerbaar zijn. Daarnaast scheiden wormen niet continu eitjes uit: dit gebeurt vaak intermitterend. Dat betekent dat een mestonderzoek altijd een momentopname is.

Ook het tijdstip kan een rol spelen. Bovendien zijn er individuele verschillen tussen paarden: sommige dieren scheiden van nature meer eieren uit dan andere, zelfs bij een vergelijkbare besmetting.

Daarom moet het resultaat altijd worden bekeken in samenhang met factoren zoals de leeftijd, het seizoen, weidebeheer, gezondheid, en voorgeschiedenis.

Een correcte staalname

Nu, om de kans op een betrouwbaar onderzoek te verhogen, begint dit uiteraard met een correcte staalname. Idealiter verzamel je de mest zo vers mogelijk, bij voorkeur onmiddellijk nadat het paard gemest heeft. Dit voorkomt dat eieren zich verder ontwikkelen of uitkomen, wat de resultaten kan beïnvloeden. 

Het staal wordt ook best genomen uit meerdere mestballen om een representatief beeld te krijgen. Enkel een beetje van de buitenkant nemen is onvoldoende, omdat de verdeling van eieren in de mest niet altijd gelijkmatig is. Het mengen van kleine hoeveelheden uit verschillende delen van de mesthoop verhoogt de nauw- keurigheid van het onderzoek. 

Hygiëne en opslag na het nemen van het staal spelen eveneens een rol. Het staal wordt idealiter luchtdicht verpakt en koel bewaard (bijvoorbeeld in de koelkast) als het niet onmiddellijk naar het labo kan. Warmte en tijd kunnen namelijk de ontwikkeling of afbraak van eieren beïnvloeden, wat de uitslag minder betrouwbaar maakt.

Wanneer voer je best een mestonderzoek uit?

Mestonderzoek is een waardevol hulpmiddel om het ontwormingsbeleid van je paard gericht en doordacht aan te pakken. Je start best in het begin van het weideseizoen, meestal vanaf maart of april. Vanaf dan komen paarden opnieuw meer in contact met parasieten, waardoor een eerste mestanalyse aangewezen is. 

Tijdens de lente en zomer is de infectiedruk het hoogst. In deze periode laat je best om de drie maanden mest onderzoeken. Zo kan je de evolutie goed opvolgen en enkel behandelen wanneer dat echt nodig is, in plaats van standaard te ontwormen.

Ook in het najaar is een mestonderzoek zinvol om te bepalen of een laatste behandeling vóór de winter nodig is. 

In de winter zelf is mestonderzoek meestal minder frequent nodig, omdat de ontwikkeling van wormen vertraagt bij lagere temperaturen.

Daarnaast is het aan te raden om ongeveer twee weken na een ontworming opnieuw mest te laten analyseren. Met zo'n reductietest controleer je of het gebruikte middel effectief gewerkt heeft en kan je eventuele resistentie sneller opsporen.

Wat in de praktijk wel vaak aangeraden wordt, is om één gerichte ontworming na de eerste nachtvorst te geven. Op dat moment daalt de overlevingskans van wormlarven op de weide sterk, waardoor paarden nog weinig nieuwe besmettingen opnemen. Dit maakt het een ideaal moment om aanwezige wormen in het paard aan te pakken. Bovendien zijn ook parasieten zoals horzellarven dan het best te behandelen, omdat er na de eerste vorst geen nieuwe eitjes meer worden afgezet. 

Niet alle wormen zie je in mestonderzoek

Hoewel mestonderzoek een zeer nuttig hulpmiddel is, is het belangrijk om te weten dat niet alle worminfecties hiermee even goed opgespoord worden.

Zo ontwikkelen horzellarven zich in de maag van het paard. Omdat ze daar geen eitjes uitscheiden die via de mest naar buiten komen, blijven ze onzichtbaar in een standaard mestanalyse. Het is hierbij dus ook belangrijk om regelmatig de horzeleitjes van de vacht van je paard te verwijderen.

Ook lintwormen zijn moeilijker te detecteren. Zij scheiden hun eitjes namelijk onregelmatig uit, waardoor een paard wel besmet kan zijn terwijl het mestonderzoek toch een lage of zelfs negatieve uitslag geeft. 

Om deze toch beter op te sporen, kan gebruik gemaakt worden van een speekseltest. Deze test meet antilichamen tegen lintwormen en geeft zo een beter beeld van de blootstelling van het paard dan mestonderzoek alleen. Aanbevolen wordt om twee keer per jaar te testen (lente en herfst). Let wel op, er mag niet binnen 4 maanden na een ontworming getest worden. 

De test is eenvoudig uit te voeren. Met een swab neem je wat speeksel af uit de mond van je paard. Het is wel belangrijk dat het paard vooraf ongeveer 30 minuten niet gegeten, gedronken of gewerkt heeft. Daarna stuur je het staal op naar het labo, en ontvang je het resultaat via mail of via je dierenarts. Op basis daarvan kan je gericht beslissen of een behandeling tegen lintworm nodig is.

Hoewel deze testen en onderzoeken heel nuttig zijn om worminfecties op te volgen en gerichter te kunnen ontwormen, blijft preventie minstens even belangrijk. De echte bron van herbesmetting zit namelijk vaak in de omgeving waarin het paard leeft, en dan vooral op de weide.

Een goed weidebeheer ter preventie van wormbesmettingen

Daarom is het minstens even belangrijk om naast testen en ontwormen ook aandacht te besteden aan het weidebeheer. Door de besmettingsdruk in de omgeving zo laag mogelijk te houden, verklein je de kans dat je paard opnieuw wormen oploopt aanzienlijk. Goed weidebeheer vormt daarom een onmisbare schakel in een doordachte wormpreventie. 

Een eerste en zeer effectieve maatregel is het regelmatig verwijderen van mest uit de weide. Door de weide meerdere keren per week – liefst elke dag – te verschonen, krijgen wormeieren minder de kans om zich te ontwikkelen tot larven. Dit is een eenvoudige ingreep die op lange termijn een groot verschil kan maken. 

Er bestaan echter ook natuurlijke processen die hierbij kunnen helpen. Zo spelen mestkevers een rol in het afbreken van mest, waardoor mesthopen sneller uitdrogen en minder gunstig worden voor de ontwikkeling van wormlarven. 

In systemen met een lage bezettingsgraad en voldoende weiderotatie kunnen deze insecten dus bijdragen aan een lagere besmettingsdruk. In de meeste praktijksituaties, waar paarden op beperktere oppervlaktes gehouden worden, blijft actief mest verwijderen echter de meest betrouwbare en effectieve strategie.

Daarnaast speelt de graasintensiteit een rol. Overbegrazing zorgt ervoor dat paarden het gras kort tot bij de bodem opnemen, net waar de meeste larven zich bevinden. Het voorzien van voldoende weideoppervlakte of het roteren van weides en het vermijden van kort afgegraasde percelen, is niet alleen goed voor je weide zelf, maar ook om het risico op wormbesmettingen te beperken.

Tot slot draagt uiteraard ook het vermijden van overbezetting, dus te veel paarden op een klein perceel, het proper houden van drink- en voerplaatsen en het beperken van langdurige mestopstapeling in de paddocks en stallen allemaal bij aan een gezondere leefomgeving.

Om af te sluiten: een regelmatig terugkerende vraag...

"Bestaan er kruiden die je paard op een natuurlijke wijze kunnen ontwormen?" 

Nee , op dit moment is er geen overtuigend wetenschappelijk bewijs dat kruiden een betrouwbare vervanging zijn voor ontwormingsmiddelen bij een besmetting.

Maar dat betekent niet dat kruiden geen rol kunnen spelen. Hun mogelijke meerwaarde ligt vooral in de ondersteuning van de algemene darmgezondheid, de darmflora en het creëren van een minder gunstig milieu voor parasieten. 

De darm speelt namelijk een belangrijke rol in de natuurlijke weerstand tegen wormen. Paarden met een goed functionerende darmflora en een sterk immuunsysteem kunnen doorgaans beter omgaan met een zekere wormdruk. Daarom zien we vaak dat jonge paarden en oudere paarden gevoeliger zijn: bij jonge dieren is het immuunsysteem nog in ontwikkeling, terwijl het bij oudere paarden opnieuw kan verzwakken.

Bepaalde planten bevatten bioactieve stoffen zoals tannines, etherische oliën en bitterstoffen die het darmmilieu kunnen beïnvloeden. Deze stoffen kunnen bijdragen aan een stabieler darmmicrobioom, wat een belangrijke rol speelt in de algemene weerstand van het paard waardoor ze dus potentieel beter om kunnen gaan met wormendruk. Kruiden kunnen daarbij de darmomgeving 'minder aantrekkelijk' maken voor wormen om zich te nestelen.

Het is echter belangrijk om te benadrukken dat kruiden geen ontwormingsmiddelen vervangen en niet geschikt zijn om een bestaande worminfectie te behandelen. Hun rol blijft ondersteunend binnen een bredere aanpak van preventie en management.

Conclusie

Blind ontwormen wordt vandaag niet langer gezien als de standaardaanpak binnen de moderne paardenhouderij. Via mestonderzoek en het in kaart brengen van de algemene gezondheidstoestand van het paard kan vandaag veel gerichter ingeschat worden of ontwormen effectief nodig is.

Daarnaast speelt ook het management en weidebeheer een cruciale rol in het beperken van de besmettingsdruk. Door bewust om te gaan met ontwormen en dit enkel in te zetten wanneer het echt nodig is, kunnen we de ontwikkeling van resistentie tegen ontwormingsmiddelen afremmen en tegelijk de darmgezondheid van onze paarden beter ondersteunen.

Het komt er dus op neer dat we niet langer "automatisch" behandelen, maar leren kijken, meten en begrijpen. Een doordachte aanpak, waarbij mestonderzoek, weidebeheer en gerichte behandeling elkaar aanvullen, leidt uiteindelijk tot gezondere paarden en een duurzamer wormenbeheer op lange termijn.

Geschreven door L. Piron - Hier Voor Paarden & A. Vleminckx - dierenarts

Share